Назад к книге «De Wonderen van den Antichrist» [Selma Lagerlöf]

De Wonderen van den Antichrist

Selma Lagerlöf

Selma Lagerlöf

De Wonderen van den Antichrist

Als de Antichrist komt, zal hij volkomen op Christus gelijken.

Daar zal groote nood heerschen en de Antichrist zal van land tot land gaan en den armen brood geven.

En hij zal vele aanhangers verkrijgen.

В В В В Siciliaansche Volkssage.

Inleiding

Als de Antichrist komt, zal hij

volkomen op Christus gelijken.

I.

Het visioen van den keizer

In den tijd, toen Augustus keizer in Rome was, en Herodes als koning over Jeruzalem heerschte, geschiedde het eenmaal dat een zeer stille en heilige nacht op de aarde neerdaalde. Het was de donkerste nacht, welken iemand ooit aanschouwd had; men zou geloofd kunnen hebben, dat de gansche aarde onder een keldergewelf geraakt was.

’t Was onmogelijk water van land te onderscheiden, en men verdwaalde op den meest bekenden weg. En dat kon niets anders zijn, want van den hemel kwam geen enkele lichtstraal.

Alle sterren waren thuis gebleven en de lieflijke maan hield haar aangezicht afgewend.

En even diep als de duisternis, was de stilte en de rust. De rivieren hadden haar loop gestaakt, de wind verroerde zich niet, en zelfs het espeblad had opgehouden te trillen. En waart ge langs de zee gegaan, dan hadt ge gezien, dat de golven niet meer tegen het strand sloegen, en waart ge in de woestijn gegaan, dan hadde het zand niet onder uwe voeten geknarst.

Alles was versteend en roerloos om den heiligen nacht niet te verstoren. ’t Gras mocht niet groeien, de dauw niet vallen, en de bloemen waagden het niet haar geuren uit te ademen.

Gedurende dezen nacht jaagde geen roofdier, noch beten de slangen of blaften de honden. En wat nog heerlijker was, geen enkel der levenlooze dingen zou de heiligheid van den nacht hebben willen verstoren door zich te leenen tot een slechte daad. Geen breekijzer hadde een slot kunnen openen en geen mes ware in staat geweest bloed te vergieten.

In dezen nacht verliet een kleine schaar menschen ’s keizers woning op den Palatijnschen heuvel te Rome, en sloeg den weg in over het Forum naar het Kapitool. Den vorigen dag hadden namelijk de raadsheeren den keizer gevraagd of hij er iets tegen had, dat zij hem een tempel oprichtten op Rome’s heiligen berg. Maar Augustus had niet dadelijk zijn bijval aan dit plan geschonken. Hij wist niet of het den goden welgevallig was, dat hij een tempel naast den hunne zou bezitten en hij had geantwoord dat hij eerst door een nachtelijk offer aan zijn genius hun wil in deze zaak wilde uitvorschen.

En hij was het, die nu, gevolgd door eenige getrouwen, dit offer ging brengen.

Augustus liet zich in zijn draagstoel voeren, want hij was oud en het beklimmen der hooge trappen van het Kapitool viel hem moeilijk. Zelf droeg hij de kooi met de duiven, die hij wilde offeren. Geen priesters, soldaten of raadsheeren vergezelden hem; slechts zijn naaste vrienden. Fakkeldragers liepen voor hem uit, als om een weg te banen in de duisternis van den nacht, en achter hem kwamen slaven, die het drievoetige altaar, de kolen, messen, het heilige vuur en al het andere droegen, dat voor het offeren noodig was.

Onderweg sprak de keizer vroolijk met zijn getrouwen, daardoor merkte geen van hen de oneindige stilte en rust van den nacht. Eerst toen zij op de kruin van den berg de plaats bereikt hadden, die bestemd was voor den nieuwen tempel, werd hun geopenbaard, dat iets ongewoons plaats greep.

Dit kon geen nacht, zooals alle andere zijn, want daar boven op de rotskruin zagen ze de wonderbaarlijkste gestalte. Ze dachten eerst, dat het een oude vergroeide olijfboom was, later geloofden zij, dat een oeroud steenen beeld uit den tempel van Jupiter op de rots verdwaald was. Ten slotte meenden ze, dat het niemand anders kon zijn dan de oude sibylle.

Iets zoo ouds, zoo verweerds, zoo reusachtigs hadden ze nog nooit gezien. Indien de keizer er niet geweest was, zouden ze allen naar huis gevlucht zijn.

„Dat is zij,” fluisterden ze, „die zoo vele jaren telt als er zandkorrels gevonden worden op de kusten van haar vaderland. Waarom is zij juist van